Canon van het uitgevers- en auteursrecht - Samenvatting

Met de uitvinding van de drukkunst kwam het nadrukken van elkaars werk in zwang hetgeen met name de eerste drukker benadeelde. Het was een euvel dat veel navolgers had maar waarover tegenstanders al aan het einde van de 15de eeuw met elkaar in gesprek raakten om te zien hoe dit het beste kon worden bestreden. Het lag voor de hand dat zij zich ook tot hun overheden zouden wenden met het verzoek daartegen maatregelen te nemen. Dat gebeurde door het verlenen van druk- en boekprivileges die de nadruk van een of meer daarin genoemde werken gedurende een bepaalde periode op straffe van sancties verboden. Een voorwaarde was dat de drukker of uitgever over het kopijrecht beschikte, een usantie die gebaseerd was op een overeenkomst met een auteur waardoor de drukker of uitgever het recht verkreeg een manuscript in boekvorm te kopiëren en te exploiteren.

Het privilegestelsel was algemeen verbonden met censuur. Waar sprake was van een groot taalgebied, een bloeiend letterkundig leven én een sterk centraal gezag - zoals in Frankrijk, Engeland en in sommige Duitse staten - verschenen al spoedig verordeningen die betrekking hadden op het drukken en uitgeven van boeken. In de Republiek bleek gaandeweg dat de censuur, zolang men geen oproerige pamfletten uitgaf of de officiële kerk in discrediet bracht, ofwel afwezig of betrekkelijk mild, al kon het verlenen van een boekprivilege afhankelijk worden gesteld van de vraag of de inhoud door de beugel kon. Ook al ging de verlening van privileges gepaard met censuur, dat verhinderde niet dat de verkrijgers hun privileges gingen beschouwen als een handelsverordening die tijdelijk unfaire concurrentie verbood en aldus een deel werd van hun bedrijfsactiva al werd een helder onderscheid tussen zuiver en corrupt kopijrecht niet gemaakt.

De oorzaak van veel strubbelingen over betwiste kopijrechten is te wijten geweest aan onbegrip, het gebruik van verkeerde terminologie, misverstanden, onzuivere vertalingen van uitheemse begrippen, het maken van onderscheid tussen broodschrijvers en niet-gebonden schrijvers, het bestaan van contractsvrijheid die erop neerkwam dat alle rechten van de auteur werden overgedragen.

Over officieel ingevoerd (gereformeerd) kerk- en schoolgoed ontstonden telkens misverstanden en geschillen omdat deze categorie, ook al betrof het nieuw en oorspronkelijk werk, tot het publiek domein werd gerekend. Dissident kerk- en schoolgoed werd buiten spel gezet ook al behoorde het voor nieuwe uitgaven tot het privaat domein.

De maatregelen tegen de nadruk waren echter beperkt omdat overheden noch de werkgelegenheid noch de handel wilden belemmeren. Weliswaar namen drukkers, uitgevers en boekverkopers meerdere initiatieven maar deze leden vaak schipbreuk omdat in breder verband stedelijke magistraten, boekverkopersgilden en drukkers/uitgevers het zelden eens werden.

In 1707 en 1710 had het er even op geleken dat de Staten van Holland met de privilegeaanvragen van D'Outreyn en Noodt een andere weg wilden inslaan. Het aan Noodt verleend privilege was een kruising tussen een generaal privilege en een prille vorm van auteursrecht. Mogelijk hebben de Staten van Holland in het begin van de 18de eeuw wat meer oog gekregen voor de rechten van de auteur. Desondanks ging de resolutie van 1715 niet verder dan het stellen van enkele voorwaarden aan de verlening van privileges. Noch over de reikwijdte van het kopijrecht, c.q. van de literaire eigendom, noch over de auteur werd gesproken. Die moest zijn rechten maar naar het gemene recht regelen.

In 1728 was er sprake van een resolutie met auteursrechtelijke aspecten. De essentie daarvan was dat niemand in Holland een nieuw werk mocht drukken van professoren of andere leden van de Universiteit van Leiden als daarvoor geen schriftelijke toestemming was verleend. Dat de resolutie minder effect sorteerde dan men aan de tekst zou kunnen ontlenen kwam omdat het de Leidse auteurs, ondanks de wijdere strekking, meer ging om de integriteit van hun werk dan om de exploitatie. Bovendien gold de resolutie alleen in de provincie Holland.

In 1795 kreeg de provincie Holland zijn eerste 'boekenwet' die de letterkundige eigendom regelde als een uitgeversrecht. De privileges werden afgeschaft en de gilden zongen hun zwanenzang. Zij werd in 1803 vervangen door een wet die voor de Bataafse Republiek gold. Daarin werd bepaald dat de bezitter, c.q. de verkrijger van het kopijrecht, dat een eigendomsrecht was, een tijdloze bescherming tegen nadruk genoot. Weliswaar was het kopijrecht niet beperkt tot drukkers en uitgevers omdat ook de opsteller werd genoemd, maar in de praktijk scheelde dat niet veel omdat onder het woord opsteller ook werd begrepen de opdrachtgever, de lastgever of de werkgever.

De wet schreef procedures voor die het verlies van het recht van eigendom of preferentie tot gevolg had als daaraan niet werd voldaan. Met deze wet ving in feite pas de incubatieperiode van het auteursrecht in Nederland aan. Dat de wet met de erven de eerste generatie erfgenamen kon hebben bedoeld en minder een voortgezette vererving, daarover bewaarde men het stilzwijgen.

Tussen 1810 tot 1813 was de Franse wetgeving van kracht. Daarmee maakte Nederland voor het eerst formeel kennis met auteurswetgeving. In 1814 werd deze weer in de ban gedaan en werd de wetgeving van vóór de inlijving hersteld. Dat gebeurde met het besluit van januari 1814 dat alleen voor de Noordelijke Nederlanden gold. Ook al was de auteur in het bezit van het kopijrecht, pas als was voldaan aan de voorschriften verkreeg hij als uitgever van zijn eigen werk een afdwingbaar eigendomsrecht. Voor de Zuidelijke Nederlanden gold het september-besluit van 1814 dat was geënt op de Franse wetgeving.

Na de vereniging van beide Nederlanden in één koninkrijk met één constitutie kwam in 1817 een éénparige wet tot stand die een compromis beoogde te zijn van twee besluiten met verschillende uitgangspunten.

Langzamer dan elders ontstond in de Noordelijke Nederlanden begrip voor de rechtspositie van de auteur, voornamelijk omdat drukkers en uitgevers volhielden dat het kopijrecht en de bescherming daarvan tot het gepatenteerde domein van de boekhandel hoorde. Ook de wet van 1817 bepaalde dat pas als voldaan was aan de voorgeschreven bepalingen de auteur (ook de uitheemse) of diens rechtverkrijgende een beroep kon doen op het kopijrecht, c.q. het uitsluitend recht tot uitgave. De wet bond de bescherming aan het leven van de auteur plus twintig jaar.

Dat de eigendom door enkel tijdsverloop ongewild verloren kon gaan bleef drukkers en uitgevers frustreren, vooral voor werk dat vóór 1817 was verschenen. Omdat de wet de rechten bleef verbinden aan het gedrukte werk, alleen de nadruk daarvan strafte, verplicht een Nederlandse drukker én uitgever voorschreef, bleef de werking beperkt tot het terrein van drukkers en uitgevers waardoor zij een uitgeverswet bleef. Pas in 1843 verloor het tijdloze kopijrecht van vóór 1817 het pleit, hetgeen nog eens onderstreept werd door een vonnis in 1849.

De druk en nadruk van staatsstukken was in elke staat een probleem. Omdat de wet van 1803 niet sprak over een staatskopijrecht voorzag de notificatie van 1805 in een kopijrecht voor de staat. Na de Franse tijd kwam het onderwerp niet ter sprake in het besluit van 1814, noch in de wet van 1817 omdat de staat ervan uitging dat hij dezelfde rechten had als een particulier. Ook het Ontwerp-BW 1816 voorzag in de mogelijkheid tot reservering van rechten voor de staat.

De KB's van 1822 en 1829, ook al kwamen deze de drukkers en uitgevers enigermate tegemoet, waren bedoeld om het kopijrecht van de staat te bevestigen. Pas na een heftige juridische strijd besliste de HR in 1840 dat een kopijrecht op wetten, besluiten en soortgelijke staatsstukken waarvan openbaarheid was voorgeschreven onbestaanbaar was.

Intussen drong de Vereeniging bij herhaling aan op een nieuwe boekenwet. Omdat de organisatie ook werd beïnvloed door de ontwikkelingen in het buitenland paste de Vereeniging haar voorgestelde ontwerpen steeds aan, al bleef zij persisteren dat zolang een wet dat niet verbood drukkers en uitgevers vrij waren om vertalingen van uitheems werk uit te geven zonder toestemming van de oorspronkelijke uitheemse auteur of diens uitgever.

Na 1862 spitsten de tegenstellingen op het gebied van de letterkundige eigendom zich toe omdat de Ontwerp-wet van de Vereeniging van 1860 haaks stond op de Grondstellingen die de Koninklijke Akademie van Wetenschappen in 1862 publiceerde en de opvattingen van de Nederlandsche Juristen Vereeniging. Ook het proces tussen tussen Jacob van Lennep en Eduard Douwes Dekker in 1861 veroorzaakte veel commotie.

De wet van 1881 betekende weliswaar een aanmerkelijke verbetering van de wet van 1817 maar door de discussies over de totstandkoming van de Berner Conventie in 1886 werd zij spoedig achterhaald en moesten zowel de Nederlandse regering als het boekenvak zich beraden over een nieuwe wet. Intussen handhaafde de Vereeniging haar preferentierecht op vertalingen van uitheems werk.

Slechts schoorvoetend schikte Nederland zich naar internationaal aanvaarde normen, met als gevolg dat pas de Auteurswet 1912 het spoor volgde van de BC waarmee, weliswaar wat laat, Nederland definitief het gemankeerde auteursrecht inruilde voor het mondiale auteursrecht.

Al kan men sinds een eeuw niet meer spreken van een zelfstandige Nederlandse rechtsorde op het gebied van het auteursrecht, menig auteursrechtdeskundige is van mening dat de weegschaal van het auteursrecht nog altijd doorslaat in het nadeel van de auteur. Een reden om het auteurscontractenrecht niet langer onderhands te regelen doch een wettelijke basis te geven. De boekenuitgevers, bevreesd voor onnodige buraucratie en veel casuïstiek in een klein taalgebied, bepleiten handhaving en verbetering van de normatieve modelcontracten.